WORLD+CULT

Paradigma: haatspraak is vrijheid van meningsuiting

(Philip Dearest)

Filosoof Heidi Dorudi deconstrueert paradigma’s en termen die de kaders van ons denken bepalen. Vandaag tackelt ze de vraag: valt haatspraak onder de vrijheid van meningsuiting?

En alweer is er een stortvloed van misselijkmakende Facebook- en Twitter-comments. Deze keer over Sylvana Simons en haar aansluiting bij DENK.

Wat deze opengebroken verbale cloaca bij mij losmaakt, is vooral een enorm gevoel van benauwdheid. Het wordt steeds moeilijker voor me om maar te denken: ‘ach, het zijn slechts ongenuanceerde onderbuikgevoelens die vanachter een toetsenbord al te snel en al te gemakkelijk de openbare wereld in worden gegooid.’ De benauwdheid die ik voel opkomen, staat in direct verband met wat de betekenis is van ‘onderbuikgevoelens’: een geheel van latent aanwezige negatieve gevoelens, zoals haat, minachting, afgunst en wrok. Dat deze gevoelens latent aanwezig zijn, betekent niet dat ze niet bestaan, maar alleen dat ze verborgen zijn. Die verborgenheid heeft echter plaatsgemaakt voor de openbaarheid van de nu substantieel waarneembare uitingen van haat, minachting, afgunst en wrok.

En juist deze openbaarheid geeft mij een steeds groter wordend gevoel van onveiligheid. Zijn dit de ‘Nederlandse normen en waarden’  waar de ‘vluchtelingen’ zich aan moeten houden? Is dit wat men zo trots ‘de Westerse Verlichting’ noemt? Maar vooral: is dit wat de veelgeroemde, alom geprezen en zeker sinds de aanslag op de Franse satirische publicatie Charlie Hebdo vurig verdedigde ‘vrijheid van meningsuiting’ is?

Ineens was iedereen Charlie

Met de slogan ‘Je suis Charlie’ werden de tekenaars van Charlie Hebdo binnen no-time op een voetstuk geplaatst en tot onverschrokken helden gemaakt in de strijd voor de vrijheid van meningsuiting. Massaal heeft men zich deze gebeurtenis toegeëigend en de identiteit van de ‘helden’ werd tot gemeengoed gemaakt. Hun satire moest voortaan de standaard zijn van de ‘vrijheid van meningsuiting’. Maar wat de vrijheid van meningsuiting werkelijk inhoudt, en wat zij betekent voor de morele handeling van een individu, schijnt daarbij verloren te zijn gegaan.

Een verlies dat in mij een innerlijke turbulentie wakker maakt, die hand in hand gaat met een niet-begrijpen en met zich herhalende innerlijke vragen: “Hoe is dit mogelijk?”, “Wie doet dit?” en “Waarom eigenlijk?”. Vragen waarop ik geen antwoorden heb. Het enige dat ik dan kan doen, is terug te grijpen naar wat ik wel heb: het filosofische gedachtegoed dat het fundament is van de beschaving zoals we die nu kennen. Een beschaving waar de vrijheid van meningsuiting terecht één van de belangrijkste waarden is.

Wat mij vooral verontrust, is dat het nota bene deze vrijheid van meningsuiting is waarmee mensen de eigen haatspraak rechtvaardigen. De vraag die juist daarom — en nu meer dan ooit — om een antwoord vraagt, is: wat is de vrijheid van meningsuiting werkelijk? Is haatspraak echt te rechtvaardigen door zich te beroepen op dit fundamentele democratische recht dat bovendien één van de internationale mensenrechten is ?

Een bloemlezing van de haatspraak in Nederland sinds 2014

Haatspraak is voor mij bijvoorbeeld Geert Wilders ‘meer-of-minder-uitspraak’ over bi-culturele Nederlanders met Marokkaanse rootsevenals al zijn uitingen over de Islam, de Koran en de ‘allochtonen’.

Toen er in april 2015 bekend werd dat 400 vluchtelingen waren verdronken, kwam er een vloedstroom aan haatspraak de wereld in. Bijvoorbeeld: “toppie”, “400 te weinig”, “MEER MEER MEER” en “Wanneer verdrinken die gasten hier es .”

De 10 vrouwen die op 23 januari 2015 in Spijkenisse demonstreerden tegen Geert Wilders ‘verzetspray’-actie werden geconfronteerd met seksistische haatspraak, zoals: “Jullie willen verkracht worden, jullie willen een piemel van een vluchteling, jullie zijn vies.”

Dan is er ook de recentelijke seksistische haatspraak van Ewout Klei en consorten over ‘dé feministen’ waarover Asha ten Broeke een geweldige en uiterst humorvolle analyse heeft geschreven . Klei schrijft onder andere: “Het zijn aanstellerige aandachtshoeren, emmerende eierstokken, genderobsessieve Grachtengordelgleuven, hypocriete hipstermeisjes, jengelende juffers, labiele lellebellen, narcistische navelstaarders, politiek-correcte penishaters, vrijgestelde ongestelden en (speciaal voor Bert Brussen) zeurende zeikhoeren.”

En last but not least is er de racistische en seksistische haatspraak die over Sylvana Simons is uitgestort, waarover zowel de Stellingdames als Mindshakes ook erg goede artikelen hebben geschreven. Het gaat om uitingen als: “Zo, dat was de kutpiet”, onder een afbeelding van een Ku Klux Klan-gewaad: “Nou ik heb hem voor haar nog een keer gewasse [sic.]”, of deze prent.

Het loutere hebben van een mening leidt nimmer tot zekere en ware kennis

Natuurlijk kan je zeggen dat al deze haatspraak in eerste instantie gewoon meningen zijn en dat ze uiten een internationaal mensenrecht is. Maar wat zijn meningen eigenlijk precies en hoe verhouden ze zich tot ware kennis?

Er zijn drie manieren om iets te beschouwen als waar: te menen dat iets waar is, te geloven dat iets waar is en te weten dat iets waar is. Niemand heeft de waarheid in pacht, want elke waarheid — elk weten en elke kennis — moet worden gevonden door onderzoek, door toetsing, door het bestuderen van iets, door na te denken of door zich in te lezen in de geschiedenis van iets. En zelfs al komt een bepaald weten op deze manier tot stand, dan nog kan deze kennis later door voortschrijdend inzicht fout blijken te zijn.

Geen enkele gefundeerde kennis is dus absoluut, maar een mening is nog minder dan een weten dat gebaseerd is op toetsing en onderzoek. Het loutere hebben van een mening is immers zowel subjectief als objectief ontoereikend om te kunnen komen tot een enigermate zekere of ware kennis van wat dan ook. Zeker niet als die mening nooit getoetst wordt.

En laat nou deze toetsing van onze vooroordelen juist dé reden zijn voor de Engelse filosoof John Stuart Mill (1806-1873) [om de vrijheid van meningsuiting als een absolute noodzaak te beschouwen.

“Het onvervreemdbare terrein van de menselijke vrijheid”

In zijn boek Over vrijheid schrijft Mill dat de menselijke vrijheid in eerste instantie bestaat uit de wereld van het innerlijke bewustzijn. Hierbij gaat het om het innerlijke weten en erkennen van het eigen bestaan en dat van de wereld. Een dergelijk besef vereist volgens hem de vrijheid van geweten, denken en voelen. De vrijheid van geweten is de algehele vrijheid om een eigen overtuiging te hebben en in combinatie met de vrijheid van denken en voelen betekent dit een volstrekte vrijheid van innerlijke houdingen en opvattingen over alle onderwerpen: praktisch, speculatief, wetenschappelijk, moreel of theologisch.

De vrijheid nu om deze innerlijke opvattingen in het openbaar kenbaar te maken, is echter anders van aard, omdat deze vrijheid te maken heeft met iemands gedrag dat anderen aangaat. “Maar”, zegt Mill, “omdat [dit] van bijna even groot belang is als de vrijheid van het denken zelf”, kan je deze twee gebieden — het innerlijke en het openbare — niet los van elkaar beschouwen. Dit betekent dat we ook in ons spreken en handelen volstrekt vrij moeten zijn om ons te gedragen zoals wij willen, zonder hinder van onze medemensen, “ook al vinden zij ons gedrag dwaas, verkeerd of verdorven.” Het belangrijke is dat Mill hieraan toevoegt: “zolang wij hen niet schaden” – waarover straks meer.

Al deze vrijheden — waaronder ook de vrijheid van vergadering — zorgen ervoor dat iedereen vrij is zichzelf te ontwikkelen en eigen keuzes te maken teneinde een autonoom en authentiek leven te kunnen leiden. Geen van deze vrijheden mag worden onderdrukt. Gebeurt dat wel, dan is er sprake van kwaad. Maar het grootste kwaad ziet Mill in de onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting, omdat “daardoor de mensheid iets ontnomen wordt.”

De noodzaak van de absolute vrijheid van meningsuiting

Voor Mill is de vrijheid van meningsuiting absoluut, omdat hij de verscheidenheid van opvattingen noodzakelijk acht voor het geestelijke welzijn van de mensheid en een eerlijke kans voor alle zijden van de waarheid. Niemand mag een mening het zwijgen opleggen, en wel om drie redenen niet, waarbij het cruciale uitgangspunt is dat we nooit helemaal zeker kunnen weten of een mening niet toch een element van waarheid bezit:

Stel dat de onderdrukte mening waar is, dan zouden we haar waarheid missen en daarmee ook de mogelijkheid onze mening erdoor te laten corrigeren of misschien zelfs helemaal te veranderen doordat we tot nieuwe inzichten zijn gekomen. Vooral zou je je eigen mening niet meer kunnen vertrouwen, omdat je die niet hebt kunnen toetsen op waarde of juistheid.
Stel dat de onderdrukte mening onwaar is, dan missen we de mogelijkheid de eigen — weliswaar ware — mening aan te scherpen en haar nog beter met argumenten te staven. Bovendien is de onderdrukte opvatting de prikkel die je mist om jezelf opnieuw af te vragen waar je mening ook al weer vandaan komt en welke bewijzen je had om te denken dat zij waar is. Als die argumenten dus niet meer in contact komen met je eigen denken, dan loop je het risico dat je mening ontaardt in een dood dogma.
Een situatie die veel vaker voorkomt dan de eerdere twee — omdat de meeste mensen nou eenmaal de heersende opinie aanhangen, zonder vaak precies te weten waarop die opinie werkelijk gebaseerd is — is dat de waarheid mogelijkerwijs in het midden ligt. Je eigen mening kan dan wel waar zijn, maar de mening van je tegenstander kan ook waardevolle inzichten bevatten, die we bij een onderdrukking ervan zouden mislopen. Bovendien zouden we dan uitgaan van de eigen onfeilbaarheid en dat is per definitie fout. Niemand is immers volmaakt.

Haatspraak en het schadebeginsel

Als we nu kijken naar de eerder benoemde haatspraak, dan kan je twee posities innemen. Posities die Mill zelf ook ter sprake brengt. Enerzijds de onvoorwaardelijke positie dat de vrije uiting van álle meningen toegestaan is, ongeacht hoe kwetsend, racistisch en seksistisch ze ook mogen zijn. Anderzijds de voorwaardelijke positie dat de vrije uiting van meningen toegestaan is “op voorwaarde dat dit op gematigde wijze gebeurt en de grenzen van een eerlijke discussie niet te buiten gaat.” Maar deze grenzen zijn erg moeilijk vast te stellen. Mensen zijn immers verschillend en pluraal, waardoor iets voor de één aanstootgevend kan zijn en voor een ander helemaal niet.

Toch onderkent Mill dat er een probleem is als mensen gebruik maken van “scheldwoorden, sarcasme en persoonlijke aanvallen”, oftewel van wat ik haatspraak noem. En hier komt zijn schadebeginsel om de hoek kijken: je mag mensen alleen iets opleggen en hun vrijheid beperken als hun handelen aanwijsbare schade toebrengt aan anderen, zoals: fysieke pijn, schade aan de essentiële belangen voor iemands leven, de dreiging van schade.

En haatspraak bréngt schade toe aan “mensen die naar verhouding weerloos zijn”. Het is namelijk meestal de heersende opinie die met haatspraak verdedigd wordt en daardoor is er sprake van een oneerlijke machtsverhouding. Minderheden of individuen die een gangbare opinie aanvallen, worden volgens Mill gebrandmerkt “als slecht en zedeloos”, ze worden “blootgesteld aan laster” en “hebben niet veel invloed”, want niemand behalve deze minderheid zelf heeft er belang bij dat “hen recht wordt gedaan.”

Vooral kunnen deze mensen niet zelf het middel van haatspraak inzetten, omdat dit niet alleen hun eigen zaak schade toe zou brengen, maar vooral omdat dan hun veiligheid zeer zeker bedreigd is. Wat haatspraak uit naam van de heersende opinie vooral doet, is dat de minderheid terug gaat schrikken en zichzelf gaat censureren, of in Mills woorden “tegengestelde opvattingen gaat verkondigen.”

Haatspraak is juist datgene wat de vrijheid van meningsuiting ondermijnt

De haatspraak tegen Sylvana Simons heeft inderdaad als doel haar het zwijgen op te leggen over discriminatie en racisme, over het slavernijverleden van Nederland en over Zwarte Piet. De haatspraak van Wilders heeft inderdaad het doel de stem van de bi-culturele Nederlanders en moslims te onderdrukken en de haatspraak van Ewout Klei en consorten wil de stem van ‘dé feministen’ doen verstommen.

Haatspraak kan dus nimmer worden verdedigd door zich te beroepen op nota bene de vrijheid van meningsuiting, want haatspraak is juist datgene wat deze vrijheid ondermijnt.

En niet alleen dat, haatspraak berokkent vooral schade toe en maakt het leven van individuen en minderheden verontrustend onveilig: de taal en houding van Ewout Klei tegen vrouwen, evenals de uitlatingen tegen de demonstrerende vrouwen in Spijkenisse, zie ik in direct verband staan met de nog steeds aanwezige verkrachtingscultuur,.Sylvana Simons voelt zich naar eigen zeggen minder veilig, door heel het land worden opvanghuizen beklad en moslims worden vaker gediscrimineerd dan instanties signaleren.

Bij al deze gevolgen van haatspraak zijn het vooral vrouwen die het doelwit zijn van de uitgesproken racistische en seksistische ‘onderbuikgevoelens’. Een fenomeen dat ook bekend staat als misogynie. Ik moet hierbij denken aan een oud gezegde: “You can judge a society by the way it treats its women.”

2 Comments

2 Comments

  1. Pingback: Paradigma: de meerderheid heeft altijd gelijk - Dorudi

  2. Pingback: 365 dagen Vileine: leven, liefde en lessen! – Vileine.com

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

VERS

We do not believe in the world empowering women.

We believe in women empowering the world!

Journalist, activist, game-changing artist, mind-body scientist, international solidarist?

Join the tribe

Copyright © 2017 Vileine

To Top